Tussen de 17e en 19e eeuw werden miljoenen mensen uit Afrika onder dwang naar Noord- en Zuid-Amerika gebracht via de trans-Atlantische slavenhandel. Zij namen hun muzikale kennis mee: complexe ritmes, zangvormen, instrumenten en het idee dat muziek een sociale en spirituele functie heeft. In Noord-Amerika werd het maken van muziek door slavenhouders sterk beperkt. Trommels werden vaak verboden, omdat slavenhouders wisten dat ritmes konden worden gebruikt om te communiceren over grote afstanden.
Toch verdween de muziek die meekwam uit Afrika niet. Ze veranderde van vorm. Afrikaanse muzikale principes, zoals herhaling, syncopering en vraag-en-antwoordstructuren — leefden voort in field hollers, work songs en spirituals. Deze zangvormen boden saamhorigheid en houvast tijdens zware arbeid en religieuze bijeenkomsten. Uit deze muzikale praktijken ontwikkelde zich rond 1900 de blues, een genre waarin persoonlijke expressie, emotie en improvisatie centraal stonden.