In het voorjaar van 1951 zetten de eerste Molukse mannen, vrouwen en kinderen voet aan wal in Nederland. Ze kwamen per schip uit Indonesië, vaak na jaren van oorlog en onzekerheid. Onder hen waren veel militairen van het Koninklijk Nederlands‑Indisch Leger (KNIL) en hun gezinnen.
Hun komst was geen vrijwillige migratie, maar een noodmaatregel. Het verblijf zou tijdelijk zijn. Zowel de Nederlandse overheid als de Molukse gezinnen gingen ervan uit dat het om een korte periode ging, met een verwachte duur van maximaal zes maanden
Daarna zouden zij terugkeren.
Die terugkeer kwam er niet.
De militairen hadden aan Nederlandse zijde gevochten tijdens en na de Tweede Wereldoorlog en tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Na de onafhankelijkheid bevonden zij zich in een onmogelijke positie. Terugkeer naar de Molukken was geen optie. Blijven in Indonesië evenmin.
Nederland besloot hen over te brengen. Dit was geen gewenste bestemming, maar een andere optie was niet mogelijk. Nederlandse overheid maakte de belofte dat het tijdelijk zou zijn.